VILLA VORONTSOV


Werp van Primorsky boulevard een steen,
in Odessa wachten de stapels op de stratenmakers,
leggen zij keien in patroon, jij gooit de jouwe en met gemak
haalt deze het roerloos dromend havenwater.
Een vroege steen in rimpelloze kom
was Aleksander Poesjkins komst, zomer 1823,
van hem zie je zijn krullend haar nog net,
de koperen huid van zijn gezicht, trotse buste in brons
onder de bomen op het Dumaplein.

Even klein als hij, niet meer dan vijftig Russische voet, was
gravin Jelizaveta, het Poolse propje met haar knappe gezicht.
Om haar zwangerschap maalde de dichter niet,
pikant juist haar zichtbare, zo succesvol gehuwde staat.
Vorontsov, echtgenoot, stadsgouverneur, en zijn gebieder,
op één punt werd Poesjkin hem de baas:
in haar bed en in zijn bibliotheek. Een wilde grot…, schreef hij,
en: mijn haven van liefde… brekende golven…
Kraste regel na regel door met bloed aan zijn pen.

Verbannen uit Sint Petersburg bleef Aleksander
dertien stoffige en vochtige en lange maanden
gedwongen gast in Odessa’s eerste, grootste, rijkste huis.
Nu rammel jij aan Vorontsovs deuren,
loert door het enige ongeblindeerde raam.
Vergeefs, binnen brengen bouwvakkers het huis in de oorspronkelijke staat.
Ooit komt die terug, maar dat kan jaren duren.
Tot het einde van de naar Poesjkin genoemde straat fluister jij hem na:
tovenares vol liefde, vreemde dame, ik koester jou en mijn talisman.

Noud Bles
terug naar Oekraïnegedichten