Van Boeken Bezeten 72

Van de oude dingen die niet voorbijgaan…

In het boek dat de titel en het thema aan de boekenweek van dit jaar heeft gegeven, bewijst Louis Couperus dat de stelling die de grondslag van zijn roman vormt tegelijk waar én niet waar is. Een krachttoer die alleen de echte kunstenaar kan volbrengen.

In de derde roman die Couperus schreef, na Eline Vere en Het boek der kleine zielen, gaat het vooral om de ouderdom, om oude tot zeer oude mensen die aan het einde van hun leven meemaken dat hun geheimen, het ene nog schandaliger dan het andere, hoezeer zij die ook verborgen hebben willen houden stuk voor stuk aan de oppervlakte komen. Die oppervlakte is het Haagse leven van een grote, uiteenvallende Haagse familie met Indische wortels. Het snijpunt van alle familiebanden, of van de rafels die ervan zijn overgebleven, is het huis van grootmoeder Ottolie Derksz in de Nassaulaan, en nog nauwkeuriger, in dat huis de voorkamer beneden, waar familieleden verblijven in afwachting van hun bezoek aan oma Ottolie op haar kamer op de eerste verdieping. Oma Ottolie is 97. Samen met de twee ook zeer oude heren, Emile Takma van 93 en dokter Roelofsz van 88, bedekt zij nu al zestig jaar het mysterie dat toen in Tegal op het eiland Java ontstond. Oma Ottolie, in Indië een hartstochtelijke schoonheid en getrouwd met Jan Derksz, wordt verliefd op Emile Takma. Het liefdespaar wordt betrapt en tijdens de worsteling van de rivalen helpt Ottilie haar minnaar Takma om haar man te doden. ’s Nachts wordt het lijk van de rotsen in de rivier gegooid. De volgende dag stelt dokter Roelofsz een valse overlijdensverklaring op. Zijn beloning bestaat uit de gunsten van Ottilies aantrekkelijke lichaam. Dat alles is zestig jaar geleden en het drietal hoopt ouder wordend temidden van een uitdijende familie dat de tijd alles zal doen vergeten. In een aantal prachtig uitgekozen verhaalreeksen toont Couperus hoe van oude mensen de dingen die er echt toe doen niet voorbijgaan. Integendeel, hun verleden blijft intact, hoe oud en krakkemikkig ze ook worden. Steeds meer mensen in en om de familiekring raken op de hoogte van de moord, het kind dat uit het overspel werd geboren en de invloed die de gebeurtenissen op de direct betrokkenen en de volgende generaties uitoefende. Een van de nakomelingen is Charles Pauws, bijgenaamd Lot, hij is de kleinzoon van grootmoeder Ottilie. In hem heeft Couperus een spiegelbeeld van zichzelf afgeleverd. Erudiet, onzeker, een zwakkeling die bang is om oud te worden en ervan overtuigd dat ‘…hij zich nooit uitzeggen zou, en dat dat ZIJN geheim zou zijn…’ Niet moeilijk is het te raden op welk geheim Lot, respectievelijk Couperus doelt: op hun toen onuitsprekelijke, nu zo doodgewone homo-erotische geaardheid. In een brief als antwoord op een verzoek om een interview heeft Couperus eens geschreven: “Zoek in mijn romans de auteur die er zich toch zo weinig in verbergt.” Elk geheim dat ertoe doet, lijkt de schrijver ons mee te geven, wordt eens ontsluierd. Wij zijn tijdelijk, maar de dingen die wij doen, gaan nooit voorbij.

Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan… sluit de Haagse romanserie af waarmee Couperus zijn schrijversschap begon. Het boek werd geschreven in Nice, waar hij net zo rusteloos als zijn alter ego Lot was neergestreken met zijn jonge echtgenote Elisabeth. Zowel in werkelijkheid als in de roman waren de man en vrouw van het echtpaar neef en nicht van elkaar. In het boek heet Lots echtgenote Ellie.

Ga je als lezer voorbij aan Couperus’ eigenzinnige spelling, de gekunstelde woordvolgordes in zijn zinnen en neem je de nieuwvormingen waarmee de schrijver zich verlustigt voor lief, dan lees je een in onze letteren ongeëvenaarde levensgeschiedenis die de vergelijking met Buddenbrooks van Thomas Mann en met Gloed van Sándor Márai met glans kan doorstaan.

Noud Bles

Louis Couperus: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…, Uitgeverij Veen € 19,90.
terug naar columnarchief