Maja


De witte auto van de dood
verlaat bij het nieuwe Nijmegen de oude stad.
Op de achterbank een nooit meer ademend kind,
het hart stil,
stil als het langzaam afkoelende lijf,
haast nog geen lijk.

Zij gaat over de rivier,
de Styx heet hier de Waal.
En waar niemand uit terugkeert leggen zij,
drie kleine meesters in het kwaad,
het meisje in het oevergras,
Zestien jaar, niet ouder, is ze pas.

Haar lichaam brandt er kort en fel.
Vlammen verdubbelen zich in het water.
Daarna ontsteekt niemand meer een kaars,
noch een waxinelichtje,
bij haar portret in de zwarte lijst
van rouw.

Noud Bles
22 februari 1944 - 2004

Alle stenen van de stad N.
schreeuwen,
vergieten stenen tranen
in het duister van laaghangende
regenwolken
slechts onderbroken door
elektrische lantarens.
Als stenen tranen schreien,
zijn in de aankomende morgen
- die niemand ziet -
de mensen in stenen veranderd
en de stenen mensen geworden,
die opgewonden praten
elkaar leren liefhebben,
zich vermenigvuldigen,
wederzijdse haat verbergen
en uiteen gaan.
In het licht van de eenzame zon
zullen de tot steen geworden mensen
tranen loswringen uit hun
gemetselde verband.

En de stenen worden steen,
de mensen worden weer mens.
Alsof dit alles niet gebeurd is
en het elk ogenblik niet
opnieuw zover kan zijn.

Noud Bles
Navel van 't land, Nijmegen in gedichten is een verzameling gedichten over Nijmegen. De bundel is in herdruk.
terug naar gedichten