Van boeken bezeten 6

Op reis naar de verloren tijd (deel 2)

Op zoek naar de verloren tijd wordt doorgaans gekozen voor de weg van de herinnering. Marcel Proust, de schepper van de grote romancyclus Op zoek naar de verloren tijd, graaft eindeloos in zijn eigen verleden. Niet zozeer diep als eerder breed en opgesierd met uitbreidingen over alle denkbare mogelijkheden (alternatieven zouden wij zeggen, maar Proust kiest niet, noch zijn hoofdpersoon; de jonge, pietepeuterig oplettende alter ego van de schrijver voegt alleen maar toe - één voorbeeld: in het eerste deel van de cyclus, getiteld Combray, vertelt deze ‘ik’ wat er zich gedurende twee achtereenvolgende avonden afspeelt in de familie die zich voor het jaarlijkse zomerverblijf in het plattelandsplaatsje Combray bevindt. Om het nog preciezer uit te drukken, het boek beschrijft tweemaal het moment waarop hij op de nachtzoen van zijn moeder wacht. Komt zij wel, komt zij niet? Waarom wel, waarom wellicht niet? Wat kan onze jonge held doen of laten om te bevorderen dat hij de onwaarschijnlijk fel begeerde nachtzoen alsnog krijgt? En ook: welke omstandigheden rond de verblijfplaats, in de voorgeschiedenis van de familie en op de moments suprême kunnen op de afloop een rol spelen of zouden daarop van invloed kunnen zijn? - en al die toevoegingen, uitweidingen en voortborduursels vormen samen de invulling van het leven, het lijden en de troost die ons als lezer met gulle hand worden aangereikt).
Bent u er nog? De voorlaatste zin is geschreven op de manier waarop Proust zijn vijftien delen (bij elkaar 3422 bladzijden in de Nederlandse vertaling) heeft gevuld. Wie er houdt van deze manier van formuleren, zo volstrekt tegenover gesteld aan onze zapp-gedomineerde leef-, beeld en leescultuur, dat zijn de lezers die van alle delen zullen smullen en alles zullen hervinden van een voorgoed voorbije, maar niet verloren tijd.

Proust gebruikte als graafwerktuig voor zijn ervaringen terug in de tijd niet alleen de geur van het Madeleinekoekje, bij zijn tante Léonie gedoopt in een kopje thee (het beroemde, vaak genoemde voorbeeld van de kracht van de herinnering opgewekt door een geur uit het verleden die men opnieuw opsnuift) maar ook, en in feite veel meer maakt hij gebruik van het invullen van beelden uit zijn jeugd. Bij die beelden is het niet de herinnering die het beeld weet op te roepen, nee het is de uiterst gedetailleerde invulling van op zich alledaagse werkelijkheden die de herinnering levend maken en alle gevoelens van dat moment van toen etaleren tot in de fijnste nuances. De gebeurtenissen worden volstrekt ondergeschikt gemaakt aan de op te roepen beelden. Terwijl het koekje en de thee bij tante Léonie gebruikt worden om een volledig en indringend portret van haar, haar omgeving en haar plaats in de familie weer te geven, wordt haar overlijden, dat al uitvoerig is aangekondigd, in één bijzin ( …want zij was tenslotte toch gestorven…) afgedaan en wordt op de tante die de aanstichtster is van meer dan drieduizend literaire pagina’s nimmer meer teruggekomen.

Merkwaardigerwijs gebruikte ik die andere manier om terug te gaan in de tijd, en wel door middel van het maken van een reis. Mijn reis voerde me naar het noordoosten van Hongarije, naar een piepklein dorp, waar men, afgezien van enkele moderniteiten, nog helemaal leefde zoals wij in de jaren vijftig. In de grotendeels agrarische gemeenschap leverden moestuinen de benodigde groenten, groeide aan hoogstambomen overvloedig het onbespoten fruit en ging het met de zeis of sikkel gemaaide gras in bundels naar de schaap of geit. Kippen scharrelden in de eigen of naburige tuin en legden hun ei waar het hen uitkwam, slechts verraden door de vanaf het vroegste uur kakelende haan. Tijdens het aanbieden van een dozijn verse eieren door de Hongaarse buurvrouw van dat moment werd de magische cirkel tussen het oproepen van herinneringen, het schrijven van de romancyclus, mijn verzamelen van Proust-uitgaven tussen 1966 en 1999 en het lezen daarvan in 2002 gesloten. Immers het verse ei is het begin van leven dat ontkiemt of eindigt in de vorm van menselijke consumptie. Demonstrerend hoe vers en glanzend de aangeboden zuivel was, ging onze buurvrouw, die ik voor het gemak Zsuzsa zal noemen, op een stoel zitten waarnaast de geopende doos stond, de doos met mijn vijftien delen Proust, te lezen in die uithoek van Centraal Europa. Het ei ontglipte haar opgeheven hand en met de Hongaarse tegenhanger van ons “Oeps” viel dit breekbaar product in de doos waar de vloeibare en halfvloeibare inhoud zich wonderbaarlijk snel over de daar aanwezige boeken verspreidde. Elk van de vijftien delen werd als gevolg van dit ongedachte einde van het pril gelegde ei ruimschoots door dooier en eigeel aan de band, de omslag en de randen van de pagina’s aangeraakt.

Aan het einde van mijn verblijf in Hongarije had ik zes kloeke romandelen uitgelezen en ik bevond me halverwege het zevende deel. Twaalfhonderdeenenzestig pagina’s gelezen en nog eenentwintighonderdeenenzestig te gaan. Heerlijk!

Over het lezen van Op zoek naar de verloren tijd na het ei van Proust gaat deel drie van deze aflevering van Op reis naar de verloren tijd.

Noud Bles
terug naar columnarchief