Van Boeken Bezeten 32

De Nobelprijs naar een vrouw, wat voor een?

Voor menige krant en weekblad was het geslacht van de Nobelprijswinnaar voor de literatuur 2004  belangrijker dan haar naam en zeker nog belangrijker dan de inhoud van haar boeken en toneelstukken, die de redenen vormden om juist haar de belangrijkste literaire prijs ter wereld te gunnen. We hebben het over Elfriede Jelinek, ze kreeg de prijs “voor de muzikale stroom van stemmen en tegenstemmen in haar romans en toneelstukken die met buitengewone taalkundige geestdrift de absurditeit van de maatschappelijke cliché’s en hun overheersende kracht blootleggen”. Volgens De Gelderlander was het nieuws vooral dat haar romans bij De Slegte op de schappen lagen. Bij het doen optrekken van de mist rond haar persoon bleven de politieke correctheid van de keuze voor een vrouwelijke danwel mannelijke winnaar voor rookgordijnen zorgen. Mag je blij zijn omdat Elfriede Jelinek een vrouw is? Moet je blij zijn? Of is het niet toegestaan dat het enig belang heeft?

Ik las achtereenvolgens De pianiste en Lust en probeerde mij als lezer een beeld te vormen van een in mijn ogen geslaagde en een mislukte roman.
De geslaagde roman is De pianiste. Ik zeg dat als lezer omdat het boek mij boeide. Het is het verhaal van de pianolerares Erika Kohut die, terwijl ze achter in de dertig is, nog woont bij haar moeder. De moeder met wie zij in één smal bed slaapt, want Erika heeft in hun kleine flatwoning wel een eigen kamer (die niet op slot kan) maar geen eigen bed opdat - zo meent de aan haar dochter vastklampende moeder - Erika niet op het idee zal komen om een man mee naar huis te nemen en met hem haar bed te delen. In het muziekleven van Erika verschijnt natuurlijk toch een man, een van haar leerlingen op het conservatorium, die zich tot het uiterste inspant om zijn diepe belangstelling voor de gesloten Erika te tonen. ‘Erika heeft bij zichzelf alles dichtgedaan wat van een sluiting is voorzien.’ En iets verder: ‘Erika voelt niets en heeft nooit iets gevoeld. Ze is gevoelloos als een stuk asfaltpapier in de regen.’ Zulke zinnen doen het goed bij mij als lezer. Ik geniet bij elke kanteling van de wankele driehoek moeder-dochter-minnaar. Het hele boek gaat de wedstrijd door: wie houdt er meer van wie en is daardoor de zwakste van het drietal. Tenslotte heeft eenieder verloren. Dat op zich is geen nieuws, wel de verontrustend onbarmhartige wijze waarop dit gebeurt.
Lust is voor mij na lezing een mislukte roman. Op de eerste plaats omdat ik alleen uit plichtsgevoel het boek heb uitgelezen. Nergens kwamen voor mij de twee-dimensionale bordkartonnen karakters tot leven, hoeveel bakken ellende zij ook bladzijde na bladzijde over elkaar uitstortten. Vanzelfsprekend gaat de narigheid in éénrichtingsverkeer naar de zwakste personages. Niet verrassend van de door seks bezeten directeur naar de afhankelijke echtgenote en van de afhankelijke echtgenote naar het verwende jonge kind. Zelfs de moord van de moeder op haar kind, achtelozer beschrijving van de ‘Medea-handeling’ ben ik nergens eerder tegengekomen, bracht bij mij geen enkele rimpeling in mijn leesgevoelens teweeg.
Schrijven is overdrijven. Voor beide boeken geldt dat het woorden- en beeldenrepertoire - soms tot vervelens toe - seksueel expliciet is, maar, lovend zowel voor de auteur als voor de vertalers, in virtuoos taalgebruik.

Lees en oordeel zelf over de boeken van de eerste Oostenrijkse Nobelprijswinnares die plotseling overal, ook in uw boekhandel verkrijgbaar zijn.

Noud Bles
terug naar columnarchief