Van Boeken Bezeten 24

De omslag

Op de voorkant van mijn eerste roman De barokjager, staat een afbeelding van een prachtig schilderij: François Boucher, La leçon de musique. Dat schilderij heb ik na voltooiing van het manuscript tijdens een bijzonder bezoek aan Parijs in een obscuur museumpje gevonden en dankzij de afbeelding die ik ter plekke van dit schilderij kon kopen, siert het mijn debuut. Apentrots verzuimde ik geen enkele kans om mijn boek onder de aandacht te brengen.

Direct na de verschijning wedijverde ik met een hoogleraar neuroanatomie van een universiteit in het oosten des lands. Deze geleerde had net een vuistdik internationaal standaardwerk gepubliceerd over de vergelijkende neuroanatomie, waarin de bouw van de hersenen van zeer veel diersoorten met elkaar en met het brein van de mens werden vergeleken. In de overmoed die bij de verschijning van mijn eersteling hoort, had ik de professor uitgedaagd: wij gingen beiden elkaars werk bespreken tijdens een openbare presentatie van de nieuwe boeken in een geschikte ruimte van de niet nader te noemen universiteit. Zo gezegd, zo gedaan. Op de bewuste middag verzamelden zich nogal wat belangstellenden, kennelijk nieuwsgierig naar de afloop van dit langzaam van duet naar duel verschuivende tweegesprek. Wij hadden elkaar met opzet onkundig gelaten over de inhoud van onze bespreking. Ik meende op goede gronden dat de hoogleraar bij voorbaat op mij een niet in te halen voorsprong bezat. Hij immers hoefde slechts een voor iedereen begrijpelijk, in goed Nederlands gestelde roman te lezen, en na te doen wat menig recensent onder een boekbespreking verstaat: beginnen met een algemeen geldende, erudiete opmerking, daarna het verhaal van de roman in drie zinnen samenvatten, een kritische opmerking maken over één formulering uit het boek, bij voorkeur nog een spel- of typefout vermelden en afsluiten met een niet-mild oordeel. Ik wist dat sommige kritieken in de krant de bespreker niet langer dan een half uur hoofdbrekens hadden bezorgd. Hoe moest ik, die van het zeergeleerde onderwerp van mijn opponent nagenoeg geen verstand had, mij op die ongelijke strijd voorbereiden? Ik besloot zijn wetenschappelijke werk als een literair epos te benaderen en te kijken wat er gebeurde als ik zijn tekst als een roman zou opvatten. Zo ging ik op zoek naar de ‘hoofdpersoon’ en vond die in de veelgebruikte uitdrukking “het”. “het” kwam om de haverklap voor, in elk hoofdstuk wemelde “het” ervan: het bleek, het wees erop en het betekende, evenals het bleek niet of het zou kunnen of het werd duidelijk in alle denkbare varianten. Zo reconstrueerde ik de handelingen van dit fictieve personage het in de loop van het wetenschappelijke relaas, tikte de schrijver op de vingers als we als lezers het een tijdje waren kwijtgeraakt of als we ons personage onlogische handelingen zagen verrichten. Tot en met de hilarische conclusie dat we hier van doen hadden met een zeer ver doorgevoerde post-moderne roman met een innerlijk verscheurde hoofdpersoon verdwaald in een labyrintisch ervaren leefwereld. Het tweegesprek begon en als eerste kreeg ik het woord. Al snel kreeg ik de lachers op mijn hand, laveerde handig naar mijn slotconclusie die daverend gelach ontlokte en ik waande mij zoniet winnaar, dan toch tenminste de vroege eigenaar van een eervol gelijkspel.
Professor N.N. schraapte zijn keel, nam mijn gloednieuwe roman in de hand, hield die enige seconden hoog in de lucht en zei: ‘Ik citeer: Kunst is het maken van mooie dingen.’
Ik wist waaruit dit citaat afkomstig was en het klopte woordelijk. Het befaamde ijzeren geheugen van de hersendeskundige versaagde niet. Hij vervolgde: ‘Ik presenteer u deze nieuwe roman van…,’ hij keek me aan en noemde mijn naam en de titel van het boek. ‘Dames en heren, dit is het boek, dit is de achterkant, de rug en de omslag.’ Daarbij toonde hij het publiek De barokjager aan alle kanten. ‘Ik dank u,’ besloot hij en boog het grote hoofd lichtjes om het applaus van de aanwezigen in ontvangst te nemen. Een lachsalvo barstte los. Een gierende orkaan geselde de wanden van de bijkans te kleine ruimte. De menigte kwam niet tot bedaren.

Er was drank, veel drank en, vertrouwde de hooggeleerde mij het glas aanstotend zachtjes toe: ‘U dacht toch niet dat ik tijd had kunnen vrijmaken om uw boek te lezen?’
Hij stak mijn nieuwe roman in zijn zak. Het zijne, een keer of vijf omvangrijker, paste in geen enkel kledingstuk. Ik heb het laten liggen.

Noud Bles
terug naar columnarchief