Van boeken bezeten 18

Hongaarse golf

Er lijkt warempel een Hongaarse golf door het literaire aanbod te gaan: Márai, Kertes, Pap, Bánk, Kristof, Nádas, Konrád, Esterhazy. Overal kom ik ze tegen, op de tafels in de boekhandel en in de kolommen van kranten en tijdschriften. Op die manier komen hun boeken onder de ogen van veel lezers. Terecht? Tijdelijk? Elke literatuur die onderbelicht blijft, vangt op een zeker tijdstip de schijnwerpers van de aandacht. Vaak door een toeval, de Nobelprijs of een ontdekking door een criticus. In deze rubriek wil ik boeken en schrijvers uit de landen die in 2004 de Europese Unie binnentreden de extra aandacht geven die zij verdienen. Deze maand Hongarije, het land dat zich erop beroemt al meer dan duizend jaar een natie te zijn en een taal bezit die buiten de Finnen en de Turken in ons werelddeel met geen enkele taalfamilie verwantschap heeft. Spreken, schrijven, begrijpen, vertalen, het Hongaars is moeilijk in alle opzichten. En dan toch een stroom van prachtige vertalingen van mooie, bijzondere en vaak opmerkelijke boeken.

Bovenaan bij mij staat Sándor Márai. Van de auteur van de juweeltjes Gloed en De erfenis van Eszter verschenen onlangs het autobiografische Land, land!… en de roman De Opstandigen. Beide boeken openen luiken op een verleden vol verschrikkingen, drama en het menselijk lot, gebeurtenissen die zich naast onze deur afspeelden. Márai maakt ons deelgenoot van zijn tijd en zijn wereld. Zijn waarnemingen zijn scherpzinnig, zijn geschiedenissen zijn tegelijkertijd klein én groot en altijd met liefde beschreven. Houd de naam Márai in de gaten, er komen nog meer titels uit zijn grote oeuvre.
Mijn nummer twee is Péter Nádas op grond van zijn meesterwerk Het boek der herinneringen. De roman verscheen bij ons al in 1991. Ik las de dikke pil van meer dan 800 bladzijden deze zomer pas, maar de schrijver heeft zijn plaats in mijn hart veroverd. Hij is een bijna volmaakte leerling van Proust met alle aandacht voor details, een grenzenloze zinnelijkheid, tweeslachtigheid ook, en de zoektocht naar de identiteit, naar de oorsprong. Het boek is helaas alleen met moeite antiquarisch te koop.
Heel goed verkrijgbaar is György Konrád. Onder de titel Geluk beschrijft hij voor de zoveelste maal wat hem overkwam in 1944-1945. Ook hier het dramatische panorama van de geschiedenis dat de eerste en de tweede wereldoorlog en de naoorlogse bezetting door de Russen omvat.
Evenveel geluk - als je dit woord mag gebruiken - ondervond Imre Kertes, de Nobelprijswinnaar, maar hoe onopgesmukt en daardoor bitter heeft hij zijn ervaringen verwoord. Ook hij overleefde de oorlog, maar als je zijn Onbepaald door het lot leest en zijn pijnlijk sobere ervaringen in Auschwitz en Buchenwald tot je neemt, weet je dat zijn verhalen geschreven, gedrukt en gelezen moeten blijven worden.
Iemand die Buchenwald niet overleefde is Karóly Pap. In zijn geboorteplaats Sopron eert men hem met een plaquette op het huis waar hij tot 1944 woonde. Van hem verscheen deze zomer Azarel, waarin alweer een jonge hoofdpersoon in opstand komt tegen de wereld die hem omringt en dreigt te verstikken. Voor de jonge Gyuri Azarel is dat de wereld van de Joodse orthodoxie, een bijna gesloten systeem zoals dat bestond in het vooroorlogse Hongarije.
Tenslotte Zsuzsa Bánk, een nieuwkomer, geboren in 1965 in (West-)Duitsland. In haar debuutroman De zwemmer komt ook zij niet los van het Hongaarse verleden. Een jonge moeder verlaat in 1956 haar gezin, zij vlucht naar het Westen., haar twee jonge kinderen en een vader onthutst en ontredderd achterlatend. Wat volgt is een zwerftocht van de achterblijvers door Hongarije weergegeven door het oudste kind. We lezen de geschiedenis van het proberen begrijpen van de wereld, pogingen die slechts leiden tot meer onbegrip.

Niet alle actuele Hongaarse auteurs hebben een plaatsje in deze column veroverd. Maar wie aan de Hongaren begint en door hen wordt gegrepen, vindt een overweldigend nieuw land met vele spannende wegen.

Noud Bles
terug naar columnarchief