Van boeken bezeten 14

Schaak, remise en mat, drie schaaknovellen

Zodra een boek met de titel Een schaaknovelle wordt aangekondigd, gaat het associatieve deel van het geheugen werken. Wie gebruikte die titel nog meer? In welk boek of welke boeken komt het schaakspel ook voor? Waarom uitgerekend het schaakspel? Hier een drietal gevallen waarin het edele schaakspel een essentiële rol speelt in een literair verhaal en een lijstje ‘nog meer’:

Het origineel is Schachnovelle van Stefan Zweig (1881 - 1942), de beschrijving van de bootreis waarop de wegen van twee geniale schakers elkaar kruisen. Onder de passagiers de haast autistische, kersverse wereldkampioen schaken Czentovic en een zekere dr. B. Eerstgenoemde Czentovic is een onontwikkeld natuurtalent die geen enkele partij heeft verloren en de wereld rondreist om met schaken veel geld te verdienen. Ook op de oceaanstomer waar een gewonnen partij 250 dollar oplevert. Uit de vele passanten in de rooksalon duikt dr B. bij de schaaktafel op en hij blijkt de enige die Czentovic tot remise weet te dwingen. Daar, vindt men, moet een beslissende partij op volgen, maar wie is dr. B. en vooral: hoe komt hij, die beweert in geen dertig jaar een schaakwedstrijd te hebben gespeeld aan zijn verbluffende en doorslaggevende kennis? Wat blijkt: hij wist als gevangene van de Oostenrijkse Gestapo met behulp van een schaakboek vol kampioenspartijen de eenzaamheid en de gekte van zijn gevangenschap te overwinnen. In gedachten schaakte hij tegen zichzelf, afwisselend wit tegen zwart, en overleefde zo de verhoren. Nu, midden op de oceaan, gadegeslagen door de nouveau riche die hun dollars inzetten op de match, spelen de echte wereldkampioen en gelegenheidsuitdager om de hoogste schaakeer.

De Nederlandse Gerrit Krol (romancier, essayist en voormalig systeemdeskundige bij Shell) schreef Een schaaknovelle, die onlangs bij Querido verscheen. De hoofdpersoon, Gijs Kaasschieter, is ook een wereldkampioen, dat wil zeggen hij staat op het punt om het wereldkampioenschap schaken in Göteborg te winnen. Maar hij verschijnt niet op de laatste wedstrijddag en de novelle vertelt ons hoe hij als twaalfjarige leert schaken, hoe hij voor het eerst verliefd wordt en waarom hij later bij die beslissende partij wegblijft. 

Het derde voorbeeld ken ik als geen ander. Het komt uit mijn eigen roman Bevrijdingsvuur (Manteau, 1994). Een van de twee hoofdpersonen, Benno Goethart, bindt de schaakstrijd aan tegen twaalf tegenstanders. De kunst was, zo had deze Benno zich voorgenomen, om alle partijen precies gelijk op te laten gaan. Elke zet was niet alleen een zet op dat ene bord tegen die ene tegenstander, maar ook een zet in de totale schaakstrijd, opgebouwd uit twaalf maal tweeëndertig schaakstukken, neergezet op een haast onoverzienbaar bord dat zich uitstrekte over acht velden diep en twaalf maal acht velden breed. Op dit twaalfvoudige schaakslagveld stonden de witte en zwarte legers tegenover elkaar. Benno Goedhart speelde simultaan tegen alle bewoners die in 1945 op één plaats gegijzeld waren. Het was de ultieme proef voor zijn inzicht, geheugen en leiderschap.

Hoe kan het schaakspel drie keer tot een spannend boek leiden? Ik denk dat het gaat om een drietal factoren.
1. De omgeving, telkens gaat het om een zeer bijzondere plek op een heel specifiek tijdstip.
2. De strijd, de wedstrijd op het bord is een weerspiegeling van de confrontaties in de wereld eromheen.
3. De verrassende uitkomst, even onverwacht als onvoorspelbaar en subtiel aangekondigd, dus zo invoelbaar.

Niet voor niets zijn de omgeving, de strijd en de verrassende uitkomst de drie belangrijkste elementen in elk goed verhaal. In de hier genoemde boeken zijn ze geheel uiteenlopend toegepast. Nog meer voorbeelden:
Vladimir Nabokov: De verdediging (De Bezige Bij, 1991)
Lewis Carroll: Through the looking glass (uit 1872, ik las de Puffin Books uitgave uit 1982)
Victor Sjklovski: De paardesprong (De Haan, 1982)
Wie kent nog meer romans, novellen en verhalen over schaken? Ik houd me aanbevolen.

Noud Bles
terug naar columnarchief