Van boeken bezeten 11

Wie vrede wil

Wie vrede wil, moet zich voorbereiden op de oorlog. Dit citaat waar ik de herkomst niet van weet, lijkt in de komende weken, misschien dagen op juistheid te worden beproefd. Half februari, zo luiden de voorspellingen, beginnen de Verenigde Staten en hun bondgenoten de strijd tegen het Irak van Saddam Hoessein.

Met alle gedachten die daarbij horen las ik hét boek over de oorlog dat als volgt begint: ‘Een kleine schrijver schrijft zijn kleine oorlog maar welke grote schrijver gaat nu opstaan om ons zijn Boek Over De Grote Oorlog - dat alles met hoofdletters - aan te bieden? En aanbieden is een veel te fatsoenlijk woord voor zo een boek. Ons in het gelaat slingeren, ons in het ontstelde geweten gooien ware dichter bij de waarheid.’ Dit in 1945 geschreven en in 1947 voor het eerst uitgegeven boek is: Mijn kleine oorlog van de Vlaming Louis Paul Boon.

Mijn kleine oorlog bestaat uit 29 korte verhaaltjes die als column in het weekblad Zondagspost verschenen. Ze beschrijven de belevenissen van gewone mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog: Franske Wauters, bijvoorbeeld, ‘die in Kassel de brieven voor de vreemde arbeiders moest ronddragen en onder het bombardement in een afvoerbuis voor vuil water gekropen was en, er uitkomende, Kassel niet meer zag…’ of Dinges, om iemand anders te noemen, ‘Dinges moest door het gat van de haag met zijn handmitrailleur over de schouder, en bleef er in vasthangen. We riepen, dat hij de lederen riem van de mitrailleur moest oversnijden maar hij hoorde het niet, hij stond in de vuurbaan van hun kogels en deed zijn broek vol waar hij stond.’
Elk hoofdstuk bevat een pluk belevenissen uit de oorlogsjaren 1940 - 1945 gevolgd door het persoonlijke commentaar van de schrijver. In dat commentaar komen de angst, verbazing, woede, mededogen en de trivialiteit tijdens de oorlogsbelevenissen het scherpst tot uiting. Temidden van Boons alledaagse wereld vol kleine slachtoffers, profiteurs, meelopers, onderduikers, leeghoofden en zwakhalzen dacht ik aan de mensen in Irak, de kleine Arabieren met hun talrijke kinderen, hun verborgen vrouwen, hun stammen- en godsdiensttwisten en hun bloemrijke taalgebruik (‘De Amerikanen zullen als de Mongolen van de 21e eeuw voor de poorten van Bagdad worden tegengehouden…’). En ik kon mij niet voorstellen dat wie het opbrengt aan zulke gewone mensen te denken die door toedoen van een oorlogsbevel ineens in de vreselijkste omstandigheden worden gestort, in staat is om zo’n bevel tot oorlog te geven.

‘SCHOP DE MENSEN TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN’ is de slotzin in het laatste hoofdstuk van Louis Paul Boon , het staat er in de hoofdletters, die ik ook wil gebruiken als ik wist dat het enige zin heeft deze woorden te herhalen.

Indien de mate waarin een land zich voorbereidt op oorlog ook een maat is voor de wens tot vrede, dan is er nog hoop dat het goed komt met Irak, met Amerika en met ons.

Noud Bles
terug naar columnarchief